N.a.v. schetsdag 1: Trends
Epiloog Wat zeggen de vijf toekomstbeelden ons op het gebied van ruimte en de organisatie daarvan? Want daar is deze exercitie immers voor opgezet, om zicht te krijgen op de schoolgebouwen van de toekomst. In dat licht hebben we uit de vijf onafhankelijke verhalen een serie markante punten gedestilleerd.:
- Britt Hofland is niet enige die in 2020 vroeg uit de veren is. Nog meer dan in 2010 lijken kinderen en ouders geen tijd te willen vermorsen; ze willen leren, spelen, werken ... leven.
- IJburg 2.0 speelt op deze behoefte in met openingstijden van 7 tot 7 uur. Op IJburg 2.0 is het onderscheid tussen primair en voorgezet onderwijs vervaagd, net zoals het verschil tussen leren en opvang. Dat laatste zien we ook op de scholen van de andere personages.
- Het IJburgcollege is verspreid over vijf eilanden die Zoë bijna dagelijks – soms zuchtend en steunend - moet aandoen. David verheugt zich niettemin op de scholencarrousel van zijn school. Gevolg is dat kinderen wat affietsen. Ouders pakken ook de snorfiets of de scooter. Britt verplaatst zich zelfs met een ‘elektronische snelroute’ die lijkt op stoeltjesliften.
- ICT speelt in de scholen van 2020 een belangrijke rol op het gebied van de veiligheid: de chip om Britts pols maakt haar overal traceerbaar, en op het gebied van de logistiek: dankzij de ‘Multifunctional learning devices’ weet iedereen altijd waar en wanneer hij moet zijn.
- Natuurlijk speelt ICT ook een grote rol als leermiddel. Zoë refereert in dat verband aan Augmented Reality for Two. Op straat en in het park kan je straks net zo gemakkelijk geïnstrueerd worden als in de klas. Verplaatsen is straks geen tijdverlies meer, maar een gezonde en leerzame onderbreking.
- Op allerlei gebieden vervlecht de school zich met haar omgeving. David gaat met de ‘meisjes en jongens van de naschoolse opvang’ strandjutten, de achtjarige tom gaat naar een voorleesmiddag in het bejaardenhuis, het bedrijfsleven komt scouten bij de ouderejaars en het schooloptreden van Ina, de dochter van Rahda, vindt plaats in het buurttheater.
- De traditionele dagindeling lijkt helemaal zoek. De jongste zoon van Rahda mag tot 10.00 uur spelen, maar dan worden de kasten omgedraaid en begint de les! Britt moet dagelijks zeven uur lang op school zijn, maar mag deze naar eigen inzichten over de dag verdelen. En er wordt gegeten op school; gezond natuurlijk.
- Een thuisplek is belangrijk. Docent Heleen vindt het jammer dat ze geen lokaal meer heeft en de groepen zo snel wisselen. Ze is wel blij met haar eigen ruimte waar ze leerlingen en ouders onder vier ogen kan spreken. De ouders van Zoë hameren op belang van onderzoek naar de eigen woonomgeving in haar pakket: “Zoë, dit is waar jou kinderen later opgroeien!”. Dat heeft ook met ‘thuisplek’ te maken.
- School en privé lijken meer door elkaar te lopen dan nu. Of is dat schijn? Als Zoë langs het checkpoint fietst schakelt haar telefoon automatisch van ‘school’ op privé. Gelukkig is niet alles veranderd in 2020. De zesjarige Danny is dol op patat. Achtjarige Tom wil astronaut worden en de zestienjarige Zoë heeft voortdurende de slappe lach. Gelukkig maar.
Als je de verhalen leest dan valt het op dat in 2020 iedereen altijd opgewekt is. Is spijbelen nog wel mogelijk als ieder kind traceerbaar is? Ook valt op dat er heel veel moet. Soms lijkt alles van minuut tot minuut gepland, er is veel haast en druk. Kinderen spelen niet, vervelen zich niet, zijn doelgericht bezig, vooral met lezen of schrijven, en als het niet met deze belangrijke basisvaardigheden is dan zijn ze al op verrassend jonge leeftijd bezig met hoogstaande cognitieve vaardigheden als sterrenkunde of andere rocket science. Zijn er ook ‘tegenscenario’s’ mogelijk, zoals:
- Mensen gaan niet door met steeds harder en steeds langer werken. Met de nakende energiecrisis komt de economie in een blijvende krimp. Je hebt dan wellicht 'recht' op een halve werkweek werk, de rest van de tijd vul je met werken aan de gemeenschap als vrijwilliger.
- Door het gebrek aan werk en de torenhoge transportkosten is het begrip kenniseconomie volkomen weggevallen. Nederland moet zichzelf in alle opzichten weer bedruipen waardoor handmatige vaardigheden weer in hoog aanzien staan. Het is namelijk gewoon fijn om in een huis zonder lekkend dak te wonen. Tegelijkertijd is lezen, schrijven en rekenen door nieuwe ICT volkomen achterhaald. Alleen stoffige wetenschappers (type Het Bureau) en de mensen van de Taalunie kunnen hier nog boos om worden, de rest kan prima uit de voeten met electronische hulpjes voor communicatie, die overigens ook naadloos werken met mensen die Engels, Frans, etc. spreken.
- Juffen en Meesters bestaan niet langer - er is geen reden om aan te nemen dat 1 persoon voor langere tijd, laat staan 1 jaar iedere dag lijfelijk aanwezig is bij de leerling. Hij/zij heeft de specifieke kennis niet en ook de vaardigheden niet om op meedere vlakken tegelijkertijd een leerling adequaat te begeleiden. Zowiezo is het veel interessanter om met enkele gelijkgestemde (in peru, XiaoPing en Sydney) zelf dingen uit te vogelen. Beoordelen, toetsen etc. door volwassenen is verleden tijd. Een juf of meester die direct een verband legt met vakken die je moet beheersen als je astronaut wordt is ontslagen!
- Misschien valt er (zie onder) niet zoveel te kiezen voor ouders die nog in een oude werkethiek zitten, maar de kinderen kiezen wel degelijk en het zal in veel gevallen niet de keuze zijn van de ouders of van de maatschappij van nu. Dit zien we nu al in de vorm van stijgend schooluitval of kinderen die alleen onder invloed van kalmerende middelen als Ritalin de schooljaren kunnen uitzitten.
- Veiligheid is vooral een kwestie van gemeenschapsvorming. Je kunt politie en veiligheidssystemen wel verantwoordelijk maken voor het vangen van boeven (mensen die al iets fout hebben gedaan) maar niet voor veiligheid an sich (een omgeving waar weinig fout gaat). Dat gebeurt alleen als we als maatschappij in staat zijn om elkaar minder te traumatiseren en er minder sprake is van grote machtsverschillen. School zal in eerste instantie een omgeving moeten zijn waar daarmee ervaring wordt opgedaan.
Waar gaat het heen als je de scenario’s en tegenscenario’s leest. Is er iets als een rode draad. Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam voorziet dat de samenleving over 10 jaar nog meer gefragmenteerd is dan momenteel het geval is. Buurten in grote steden zullen onderling steeds meer van elkaar verschillen. Ook zullen kinderen steeds vaker in ‘gefragmenteerde gezinnen’ opgroeien. Ouders zullen steeds meer een school willen voor hun kinderen die op hun eigen levensstijl lijkt. Op basis van deze gedachte schetst Onderzoek en Statistiek voor 2020 twee uiterste modellen van trends die momenteel waarneembaar zijn.
- De ‘club med’ school in IJburg. Dit is een kostschool op dagbasis, een school waar een kind van 8.00 uur tot 18.00 uur terecht kan voor zowel school als naschoolse activiteiten als opvang. Deze onderdelen lopen waarschijnlijk door elkaar. Er is een ruime keuze aan activiteiten en een kind kan zijn eigen kwaliteiten ontwikkelen. Ouders zijn erg betrokken bij de school maar zijn weinig fysiek aanwezig.
- De ‘triple A’ school in Geuzenveld-Slotermeer. Dit is een school waar de focus ligt op de kwaliteit van het onderwijs. Hier zitten leerlingen met een leerachterstand (vooral taal) en deze leerachterstand moet gedurende de basisschoolperiode ‘weggewerkt’ worden. Dit is een school van 8.30-15.00 uur waar leerlingen veel lessen in rekenen en taal krijgen. Als de opvang niet gratis is zullen leerlingen na school naar huis gaan of naar een andere gratis activiteit. Ouders zullen veel aanwezig zijn rondom de school, maar weinig inhoudelijk betrokken. Op deze school zou bijvoorbeeld samengewerkt kunnen worden met studenten van de pabo die hier gratis huiswerkbegeleiding geven (en hiervoor in de plaats een goedkope woning in de buurt krijgen). Deze school biedt leerlingen in een achterstandspositie een ontsnappings¬mogelijkheid door middel van kwalitatief goed onderwijs.
Wat zegt dit allemaal over school(gebouw) van 2020? Voorlopige conclusies gloren door de verschillende toekomstbeelden heen:
- De school is geen gebouw maar een gebied; de ‘schooltijd’ wordt niet op één (fysieke) plek doorgebracht maar op ‘leerrijke’ plekken verspreid over wijk of stadsdeel. Kinderen gaan er op uit; ze trekken letterlijk de wijde wereld in. ICT zal dat in toenemende mate mogelijk maken. In feite is dit een breuk met de huidige trend van MFA’s en brede scholen waarbij de wereld juist naar binnen wordt gehaald!
- Voor zowel kinderen als docenten blijft een stamplek belangrijk. Dat hoeft niet meer het oude vertrouwde lokaal te zijn. Maar wat dan wel? Is dat een vaste ruimte of is het een eigen groep met een vaste leerkracht? Wellicht ontstaan er naar analogie van de kantoorhuisvesting gedeelde werk- en leerplekken; iedereen een hippe trolley met kleur en vorm naar keuze. Ongetwijfeld ontstaan daarbij verschillen tussen leeftijdsgroepen. Voor tienjarigen doemen andere oplossingen op dan voor vierjarigen.
- Gast en gastheer; in de strijd om de schaarse leerling zullen scholen zich van hun meest verleidelijke kant laten zien. Naast goede schoolprestaties horen daar ook een attractief gebouw en bijzondere voorzieningen bij (waarom geen studio, zwembad of theater?). Wat geldt voort leerlingen en ouders geldt ook voor alle andere partijen die verbonden zijn met de school van 2020; denk aan winkeliers, bedrijfsleven, buddy’s, stagiairs en andere vrijwilligers. Ook zij moeten met plezier naar ‘school’ gaan. School is dus gast en gastheer tegelijk. Dat vraagt overigens geheel nieuwe vormen van financieren en exploiteren. Gastvrijheid wordt sleutelbegrip.
- Het gebouw/ de faciliteit hanteert een ruim dagvenster waarbinnen een geindividualiseerd, ge- `ritmiseerd' aanbod wordt gegeven (rekening houdend met ritme van inspanning en ontspanning en individueel bioritme van kinderen) houdt rekening met de diversiteit van arbeid- en zorgpatronen in Nederland. We moeten uit de klem van of - of.
Kortom, richting functionele concepten zal het gebouw vooral heel flexibel dienen te zijn, goed voorzien van glasvezel en andere ICT basisvoorzieningen en ruimtes voor gemeenschapsvorming op grote en kleine schaal. Belangrijk daarbij is licht, lucht, natuur en kunst zodat er een omgeving is waarin mensen zich bassaal lekker voelen. Ook de relatie met de openbare ruimte buiten het gebouw is belangrijk, waardoor meer interactie met de omgeving bestaat.
|